Indiculus superstitionum et paganarium

door Frigga Asraaf

Het blijft op mijn lachspieren werken dat juist de geestelijken die vaak te vuur en te zwaard heidendom, met als zijn in hun ogen verfoeilijke gewoonte en gebruiken, bestreden hebben tegelijk een en ander voor ons bewaard hebben dat nu zo waardevol is. Wellicht moeten we toch eens een hoorn heffen op al de monniken die, al is het kort, zaken aan papier, of beter: perkament, hebben toevertrouwd.
Een overgeleverde lijst van bijgelovigheden en heidense praktijken, de zogenaamde indiculus superstitionum et paganiarum, is een goed voorbeeld hiervan. Het is een opsomming in het latijn van een dertigtal gebruiken, in zwang bij Friezen en Saksen, die door de kerk werden afgekeurd. Helaas ontbreekt enige uitleg bij de genoemde gebruiken. In die tijd wist waarschijnlijk iedereen waar op gedoeld werd en dus was het overbodig om er enige tekst en uitleg bij te geven.
Het manuscript waar het indiculus superstitionum et paganiarum in te vinden is, stamt uit halverwege de achtste eeuw en bevat naast deze lijst ook de oudsaksische of utrechtse doopgelofte. Het is onbekend wie de lijst heeft opgesteld, maar mogelijk was het Willibrord of een van zijn opvolgers. De originelen van zowel de lijst als de doopbelofte zijn verloren gegaan, maar er is een kopie uit het door Bonifatius in 744 gestichte klooster Fulda bewaard gebleven.

Voor ik verder inga op een aantal punten van de indiculus superstitionum et paganiarum volgt hier eerst de lijst zelf. Daarna volgt de lijst nogmaals maar nu voorzien een vertaling, eventuele uitleg en commentaren. De vertaling stamt uit het boek De tijd van monniken en ridders van schrijver en historicus Ben Speet. De vertalingen die her en der die tussen haakjes zijn geplaatst, heb ik op Wikipedia gevonden. De uitzonderingen hierop zijn de punten 8 en 20, want daar verkiest Speet de namen van romeinse goden te vervangen door germaanse en staat zijn vertaling tussen haakjes. Dit naar ik aanneem volgens de interpretatio Romana of juist de interpretatio Germanica. Voor uitleg en commentaar ben ik Ray Dassen dank verschuldigd, want hij heeft me geholpen met zijn kennis van latijn. Verder vermeld ik voor vergelijk met enige regelmaat een vertaling van de duitse Wikipedia.

1. De sacrilegio ad sepulchra mortuorum.
2. De sacrilegio super defunctos id est dadsisas.
3. De spurcalibus in Februario.
4. De casulis id est fanis.
5. De sacrilegiis per aecclesias.
6. De sacris siluarum quae nimidas vocant.
7. De hiis quae faciunt super petras.
8. De sacris Mercurii, vel Iovis.
9. De sacrificio quod fit alicui sanctorum.
10. De filacteriis et ligaturis.
11. De fontibus sacrificiorum.
12. De incantationibus.
13. De auguriis vel avium vel equorum vel bovum stercora vel sternutationes.
14. De divinis vel sortilegis.
15. De igne fricato de ligno id est nodfyr.
16. De cerebro animalium.
17. De observatione pagana in foco, vel in inchoatione rei alicuius.
18. De incertis locis que colunt pro sacris.
19. De petendo quod boni vocant sanctae Mariae.
20. De feriis quae faciunt Jovi vel Mercurio.
21. De lunae defectione, quod dicunt Vinceluna.
22. De tempestatibus et cornibus et cocleis.
23. De sulcis circa villas.
24. De pagano cursu quem yrias nominant, scissis pannis vel calciamentis.
25. De eo, quod sibi sanctos fingunt quoslibet mortuos.
26. De simulacro de consparsa farina.
27. De simulacris de pannis factis.
28. De simulacro quod per campos portant.
29. De ligneis pedibus vel manibus pagano ritu.
30. De eo, quod credunt, quia femine lunam comendet, quod possint corda hominum tollere juxta paganos.

1. De sacrilegio ad sepulchra mortuorum. – ‘Over godslastering (heiligschennis) bij de graven van doden.’
Het latijnse sacrilegium betekende oorspronkelijk ‘tempelroof’ en kreeg later de bredere betekenis van heiligschennis. De gebruikte duitse vertaling kiest voor een nog vrijere vertaling: Über das Opfer an Gräbern der Toten.

2. De sacrilegio super defunctos id est dadsisas. – ‘Over godslastering (heiligschennis) over overledenen, dat wordt genoemd dadsias ‘doodsmaal.’
In een artikel van het regionaal historisch tijdschrift Holland valt te lezen: ‘Het gebruik van volkstaalwoorden kan erop wijzen dat het – in ieder geval bij die individuele beschrijvingen waarin ze voorkomen – om werkelijk waargenomen gebruiken gaat. Dat betekent dat `godslastering over doden, dat wil zeggen “dadsias”‘, te vertalen met `lijkzangen’, hier mogelijk te horen zijn geweest.’ (Mosterd 1993)
Dassen kiest voor een letterlijke vertaling: ‘Over de heiligschennis over overledenen, die dadsias is.’ en geeft ook een wat vrijere, leesbare vertaling: ‘Over dadsias (‘lijkenzang’?), de heiligschennis over overledenen heen.’
Wellicht gaat het om beide, zowel treurzangen als dodenmalen. Van het laatste is ook uit andere bronnen bekend dat ze bij graven gehouden werden.

3. De spurcalibus in Februario. – ‘Over vuiligheden (banketten) in februari’
De latijnse stam spur staat voor ‘vuil/verontreinigd/bezoedeld/bevuild’. Heidense feesten werden als liederlijk afgedaan en in die zin is niet vreemd dat er vanuit christelijk oogpunt over vuiligheid gesproken wordt.
De duitse vertaling spreekt van Festmähler im Februar. Het zou dus om mogelijk om een ploegfeest of vroeg voorjaarsfeest kunnen gaan, denkbaar een voorloper van carnaval. Voor in de zeventiende eeuw die benaming in zwang raakt, sprak men van vastelavond. Vastel zou te herleiden zijn naar vazel of fazel met als betekenis ‘onzin’, ‘kletspraat’ en ‘uitwendig geslacht van vrouwelijk vee’. Met vazelen werd geslachtsgemeenschap bedoelt.

4. De casulis id est fanis. – ‘Over hutten en godenhuisjes.’ (‘Op kleine gebouwen, d.w.z. schrijnen.’)
Het latijnse calsula betekent ‘hutje’ en fanum staat voor ‘aan een godheid gewijde plaats’. Zo’n plek wordt ook wel aangeduid als heiligdom en dit zien we in de duitse vertaling terug Über kleine Gebäude, d.h. Heiligtümer.

5. De sacrilegiis per aecclesias. – ‘Over godslastering in (heiligschennis) in kerken.’
Het latijnse per staat niet alleen voor ’in’, maar ook voor ‘in de nabijheid van’. De duitse vertaling kiest wederom voor offer: Über das Opfer an Kirchen.

6. De sacris siluarum quae nimidas vocant. – ‘Over heiligdommen in bossen, die nimidas worden genoemd.’
Dit spreekt voor zich. Über Waldheiligtümer, die sie Nimidas nennen is de duitse vertaling. Het latijnse silva betekent ‘bos’ of ‘woud’.

7. De hiis quae faciunt super petras. – ‘Over datgene wat ze op rotsen doen.’
Dit punt is euvel te duiden, want waar zijn in ons land ‘rotsen’ of ‘rotsblokken’ te vinden. Het enige dat met te binnenschiet zijn de zwerfkeien waar onder meer de hunebedden van gebouwd zijn.

8. De sacris Mercurii, vel Iovis. – ‘Over offers aan Wodan en Donar.’ (‘Mercurius en Jupiter’)

9. De sacrificio quod fit alicui sanctorum. – ‘Over de offers voor hun heiligen.’

10. De filacteriis et ligaturis. – ‘Over amuletten en bindsels.’

11. De fontibus sacrificiorum. – ‘Over bronnen waar geofferd wordt.’

12. De incantationibus. – ‘Over toverspreuken.’ (‘Over bezweringen.’)
Het latijnse incantatio betekent ‘toverij’, ‘toverformule’ (vergelijk met het engels incantation ‘toverspreuk’, ‘bezwering’).

13. De auguriis vel avium vel equorum vel bovum stercora vel sternutationes. – ‘Over de voortekens met behulp van vogels, paarden of rundmest en niezen.’
Augurium staat voor ‘waarneming en uitlegging der voortekenen (van de
vogelvlucht), door de augures’. Een manier van waarzeggerij bij de Romeinen en volgens Tacitus ook bij de Germanen. Hij noemt in zijn Germania (8 – 10) ook het voorspellen aan de hand van het hinniken van daartoe bestemde paarden.

14. De divinis vel sortilegis. – ‘Over waarzeggers en voorspellers.’(‘Over toekomstvoorspellingen en het werpen van het lot’.)
Het latijnse divino staat voor ‘ik voorspel’, ‘ik raad’ en sortilegus (adjectief) voor ‘waarzeggend’, ‘profeterend’. Mogelijk doelt men niet alleen op de beoefenaars maar ook op waarzeggerij en profetie zelf gezien het vorige punt.

15. De igne fricato de ligno id est nodfyr. – ‘Over het wrijven van vuur uit hout, wat nodfyr betekent.’
Het was gebruikelijk ondermeer met jaarfeesten om de vuren te doven en weer ritueel te ontsteken doormiddel van het wrijven van hout.

16. De cerebro animalium. – ‘Over hersens van dieren.’

17. De observatione pagana in foco, vel in inchoatione rei alicuius. – ‘Over wat heidenen zien in het vuur, wanneer zijn iets beginnen.’ (‘Over heidense waarneming in de pan, of in het begin van elk ding.’)
In het latijn heeft focus meerdere betekenissen, ondermeer: ‘stookplaats’, ‘haard’; ‘haardstede’ ,‘huisgezin’, ‘familie’, ‘huis’ maar ook ‘kolenpan’, ‘brandstapel’, ‘offerhaard’, ‘brandaltaar’, ‘vuur’ en ‘gloed’. Inchoatus (adjectief) staat voor ‘begonnen’, ‘onvoltooid’ en inchoo ‘met iets een begin maken’.
De duitse wikipedia geeft de volgende vertaling: Über heidnische Beobachtung in der Pfanne, oder im Anfang irgendeiner Sache. Dassen vertaald het als volgt: ‘Over heidense waarneming (zienerij) in de offerhaard, of in het begin van wat voor ding dan ook’.

18. De incertis locis que colunt pro sacris.– ‘Over onduidelijke plaatsen die ze als heilig beschouwen.’
Al bij punt 6 zijn heiligdommen in het bos genoemd en die vallen hier misschien ook onder. Waar we nog meer aan kunnen denken zijn bronnen. Voor animisten kan elke steen, boom of struik een heilige plek zijn,
Het latijnse incertis staat voor ‘onzeker’, ‘onbepaald’, ‘onbetrouwbaar’ en colo heeft betekenissen als ‘bewonen (van een terras)’; ‘dikwijls van beschermgoden van een plaats’. Über ungenau zu lokalisierende Orte, die sie als Heiligtümer verehren is de vertaling van de duitse Wikipedia en Dassen geeft als mogelijkheid: ‘Over onzekere plaatsen waar zij het heilige aanbidden’.

19. De petendo quod boni vocant sanctae Mariae. – ‘Over lievevrouwebedstro van de goede Heilige Maria geheten.’ (‘Over de aanroep van de goedgezonde, die als Heilige Maria wordt gezien.’)
Peto in het latijn betekent zoveel als ‘naar iets reiken’, ‘naar iets streven’. Dat zegt echter weinig over wat mogelijk bedoeld word of het moet om de eerste betekenis gaan. De duitse Wikipedia vertaalt het als volgt Über Anrufung, die Gutgesonnene als die der Heiligen Maria bezeichnen en Dassen vraagt zich af het wellicht te vertalen is als ‘Over de aanroeping (aanbidding?) van haar die goedgezinden als de heilige Maria aanduiden/uitleggen’.

20. De feriis quae faciunt Jovi vel Mercurio. – ‘Over de feesten van Wodan en Donar.’ (’Over feesten die zij voor Jupiter und Mercurius houden’)

21. De lunae defectione, quod dicunt Vinceluna. – ‘Over de maansverduistering geheten vinceluna.’ (Over de maanschaduw die ze Vinceluna noemen.’).
Volgens Dassen is de wikipedia vertaling meer letterlijk.

22. De tempestatibus et cornibus et cocleis. – ‘Over stormmaken, over hoorns en bekers.’

23. De sulcis circa villas. – ‘Over voren rond de dorpen om boze geesten buiten te houden.’
Het latijnse sulco betekent zowel ‘vore’, ‘greppel’ als ‘geul. In het klassiek Latijn betekent villa echter ‘boerderij’, ‘landhuis’, ‘landgoed’ en ‘buitenplaats’. Dassen kiest hierdoor voor ‘Over greppels/voren rondom boerderijen’, hetzelfde geldt voor de duitse wikipedia: Über Ackerfurchen rund um Gehöfte.
Dassen merkt op dat de reden die gegeven wordt voor de geulen in de tekst helemaal niet genoemd word maar het zou een verklaring kunnen zijn.

24. De pagano cursu quem yrias nominant, scissis pannis vel calciamentis. – ‘Over de heidense wedloop genaamd yrias met gescheurde vodden en schoenen.’ (Over de heidense renloop die ze Yria noemen, met kleding en schoenen.’)
Pannus staat voor ‘lap’, ‘stuk doek’, ‘vod’ en pannosus ‘in lompen gehuld’. Sciss|illis heeft als betekenis ‘splijtend’, ‘gescheurd’ en calciamentum brengt ons via calceamentum bij schoeisel’.

25. De eo, quod sibi sanctos fingunt quoslibet mortuos. – ‘Over dat ze zich een geliefde als heilig voorstellen’, (“Over wat ze zelf omschrijven als een heilige dood.’)
Fingo, finxi, fictum staan voor ‘zich verbeelden’, ‘zich voorstellen’. Stelde de mens zich een levende of dode geliefde voor als heilig vraag ik me af gezien mortuos. De dood wordt in de vertaling van Speet niet genoemd in tegenstelling tot beide wikipedia vertalingen, waarvan de duitse Über das, was sie für sich als heilige Tote bezeichnen/erdichten. Mensen worden door de kerk pas na hun verscheiden tot heilig verklaard, dus misschien is daaruit af te leiden dat het om een gestorvene gaat in de vertaling van Speet. Mogelijk wordt op voorouderverering gedoeld.

26. De simulacro de consparsa farina. – ‘Over het godenbeeld uit deeg.’, (‘Over het beeld van verspreide granen.’)
Het latijnse simulacrum kan doelen op godenbeeld, maar ook op ‘beeld’, ‘voorbeeld’, ‘model’. Far, farris staat voor ‘spelt’ (de oudste korensoort), ‘meel’, ‘offermeel’ ‘brood’.

27. De simulacris de pannis factis. – ‘Over godenbeelden uit vodden.’, (‘Over beelden gemaakt van doeken.’)

28. De simulacro quod per campos portant. – ‘Over het godenbeeld dat ze door de velden dragen.’

29. De ligneis pedibus vel manibus pagano ritu. – ‘Over houten handen en voeten op heidense wijze.’, (‘Over houten voeten en handen na de heidense rite.’)
Op heidense wijze is toch heel iets anders dan na afloop van en na staat ook geheel niet in de tekst.

30. De eo, quod credunt, quia femine lunam comendet, quod possint corda hominum tollere juxta paganos. – ‘Over dat ze geloven dat vrouwen de maan kunnen belezen, zodat ze mensen het hart uit kunnen nemen’, (‘Over dat, waarom de vrouwen de maan vertrouwen, wat de harten van mensen kan verheven naar de heidenen.’)
Het latijnse tollo staat voor meerder betekenissen, te weten: ‘opbeuren, -heffen, -richten’, ‘in de hoogte brengen’; ‘opheffen’, ‘aanheffen’, ‘verheffen’ en ‘wegnemen’, ‘wegbrengen’, ‘wegvoeren’. Dassen vind verheffen aannemelijker klinken dan uitnemen. Daar is ook in de duitse vertaling voor gekozen: Über das, von dem sie glauben, da es die Frauen dem Mond vertrauen, das es die Herzen der Menschen erheben kann gemäss den Heiden.

Ten slotte
Het feit dat een lijst als deze is opgesteld, bewijst voor mij het belang van wat erin vermeld wordt. Mensen laten zaken waar ze waarde aan hechten zelden makkelijk los. Christendom heeft vanaf het begin veel van heidens geloof en gebruiken afgedaan als bijgeloof of verwerpelijk. Helaas bestaat dat beeld nog altijd, hoewel het nu lang niet altijd meer door christendom wordt ingegeven maar door rationeel denken. Hier pleit ik altijd weer elkaar de ruimte te gunnen op heel verschillende wijze tegen het leven aan te kijken. Waarom stellen dat een atheïst dom is of iets mist al hij of zij geen behoefte heeft aan zoiets als geloven? Dat noem ik dom! Dat andersom hetzelfde geldt moge duidelijk zijn.
De opsomming maakt me nieuwsgierig. Bijvoorbeeld naar wat er uitgespookt werd op rotsen (7) en wat was het doel van een wedloop (14) met gescheurde vodden en schoenen. Daar krijgen we nooit antwoord op, maar het laatste roept wel grappige beelden bij me op. Hetzelfde geldt bij voortekenen van koeiepoep. Ik kan me toch weinig voorstellen bij wat een koeievlaai me zou kunnen wijsmaken, maar wellicht had de stront van runderen uit die tijd wel iets zinnigs te melden. Overigens is drie keer achter elkaar niezen een voorteken van goed weer de volgende dag. Iets dat ik als kind nog heb geleerd, hoewel men er geen geloof aanhechtte.

De vraag rijst wel hoe afkeurenswaardige zaken worden opgeschreven. Waarschijnlijk op een schimpende of een geringschattende manier. Waar slaan de vodden bijvoorbeeld op (24 en 27)? Zijn het daadwerkelijk vodden of ging het om doeken?
Als men vondsten in gedachten neemt van voorwerpen die ooit geofferd werden dan gaat dat nogal eens om kostbare zaken. Het klinkt dan ook onlogisch dat een godenbeeld van vodden gemaakt zou zijn. Al helemaal als in de voorgaande punt op de lijst over godenbeelden van deeg gesproken word. Deeg is immers voedsel.
De houten handen en voeten (29) zijn mogelijk offers. Ledematen die waren genezen werden in hout uitgebeeld en geofferd als dank (Eijnatten 2006). Het is een aannemelijke verklaring. Kortom een lijst als deze kan ons nog heel wat gespreksstof inspiratie opleveren!

Bronnen
Eijnatten, Joris en Lieburg, Fred van – Nederlandse religiegeschiedenis – Uitgeverij Verloren 2006
Speet, Ben – Kleine geschiedenis van Nederland, Deel III, De tijd van monniken en ridders (500-1000) – Waanders Uitgevers, Zwolle , 2007

Internetbronnen
http://nl.wikipedia.org
http://de.wikipedia.org
www.northvegr.org

Google Books
Mosterd, M. – De kerstening van Holland (zevende tot twaalfde eeuw) – artikel uit Holland, regionaal historisch tijdschrift, uitgave van Historische Vereniging Holland, nummer 3-5, 1993