|
|
|
Frans zou na schooltijd bij Dirk gaan spelen. Ze waren dikke vrienden. Ilse, het kleine zusje van Dirk was naar een vriendinnetje. Het was mooi weer, de zon scheen en het was warm genoeg om zonder jas naar buiten te gaan.
"Wat zullen we doen?" vroeg Frans aan Dirk.
"Ik heb een plan," zei Dirk. "Je weet wel dat wij in het weekend vaak naar de bossen gaan of naar de duinen. Ilse maakt dan meestal poppetjes van gras of iets anders kleins van dingen die ze onderweg vindt. In het begin vond ik dat maar raar, want ze nam ze niet eens mee naar huis, ze legde ze gewoon zomaar ergens neer. Pas geleden heb ik haar een keer gevraagd waarom ze dat deed. Ze was helemaal verbaasd. "Het zijn cadeautjes," zei ze. Het klonk alsof het de normaalste zaak van de wereld was maar ik snapte er niks van. "Ze zijn voor de bomen, voor het gras, voor de duinen, voor het water ... " Ze had nog wel even door kunnen gaan met haar opsomming. "Maar waarom doe je dat?" vroeg ik. "Waarom?" "Nou, gewoon," zei ze. "Het is buiten zo mooi en ze geven mij ook cadeautjes: takjes, eikeltjes, blaadjes. En dan komen de mannetjes en die zien er dan heel blij uit."
"Mannetjes?" vroeg Frans. "Kabouters?"
"Gisteravond voor ik ging slapen kwam mijn moeder op de rand van mijn bed zitten," zei Dirk. "Ze had gehoord waar ik het met Ilse over had gehad en ze wilde niet dat ik haar uit zou gaan lachen ofzo of tegen haar zou zeggen dat ze alles maar verzon. Weet je wat ze zei? Dat kleine kinderen soms dingen zien die je later niet meer ziet als je groter bent. En dat je dan gauw geneigd bent om te zeggen dat iets niet bestaat omdat je het zelf niet ziet. Mama ziet die mannetjes ook niet, zei ze, maar ze gelooft wel dat plekjes in de natuur net zoals wij, iets fijn kunnen vinden of niet. En ze zei dat ze wel eens gehoord heeft dat er land-en watergeesten zouden bestaan."
"Hè getver, toch niet van die witte doorzichtige spookdingen hè? riep Frans. "Daar kan ik niet tegen hoor."
"Welnee, man" stelde Dirk hem gerust. Ze noemen ze gewoon zo, omdat ze anders zijn dan wij. Het zijn een soort eh... wezentjes ofzo. Niet zo groot en er zijn wel mensen die ze gezien hebben."
"O," zei Frans, want hij wist niet zo goed wat hij anders moest zeggen. "En wat was je nu van plan dan?" vroeg hij, niet helemaal op zijn gemak.
"Als we wat voor die land- en watergeesten gaan doen, krijgen we ze misschien ook wel te zien," zei Dirk hoopvol. "Er schijnt niet zo vaak aan ze gedacht te worden."
"Ja, nogal logisch," riep Frans uit. "Als je nog nooit over ze gehoord hebt, als je niet eens van hun bestaan af weet, hoe kan je dan aan ze denken? Als jij niet zo'n zusje had gehad en je moeder had niks gezegd dan hadden wij ook niks over ze geweten."
"Heb je zin om mee te doen? Dan gaan we melk kopen en witte chocola en een fles water. Dat schijnen ze lekker te vinden."
Ze besloten dat het weiland de beste plek was om naar toe te gaan.
Het weiland was een stuk grasland dat net buiten de bebouwde kom lag. Het was er heel prettig en Frans en Dirk kwamen er vaak. Het stond bekend als een stukje niemandsland. Aan weerszijden van het zandpad dat er naar toe leidde stonden bomen. Ze namen een losse tak mee die op de grond lag, liepen een heel stuk het weiland over en hielden toen stil.
Dirk stak de stok in de grond. Daarna begonnen ze allebei rond te springen.
"Hé landgeesten," riep Dirk "we hebben wat voor jullie meegenomen!"
Ze stopten met springen en gingen bij de stok zitten. Frans peuterde het papier van de chocoladereep los en brak de reep in stukjes. Eén stukje at hij zelf op en hij gaf er ook een aan Dirk. De rest was voor de landgeesten. Hij legde de stukjes in het gras rondom de stok die Dirk stevig in de grond had geduwd. Dirk had intussen het pakje melk open gemaakt en terwijl hij rondliep liet hij de inhoud van het pakje in een dikke straal op de grond en op de chocola kletteren.
"En nu?" vroeg Frans.
"Even afwachten," zei Dirk.
Ze zaten zonder iets te zeggen, maar nergens kwam plotseling een kabouter of een ander wezentje uit de grond tevoorschijn.
"Misschien moeten we een stukje verderop gaan zitten," zei Dirk.
"Misschien hebben ze nu wel helemaal geen honger," zei Frans.
"Maar iets lekkers lust je toch altijd wel?" zei Dirk.
"Misschien zijn ze bezig," opperde Frans.
"Misschien bestaan ze wel helemaal niet," zei Dirk een beetje teleurgesteld.
"Kom, dan gaan we die fles water nog even doen," zei Frans terwijl hij opstond. "Ik moet voor etenstijd thuis zijn."
Naast het weiland lag een sloot. Frans rende vooruit. Dirk rende achter hem aan, maar toen hij de sloot bereikte was Frans al bezig een oud colablikje uit het water te vissen.
"Erg schoon is het hier niet," mopperde hij.
"Dan kunnen de watergeesten ons water extra goed gebruiken," zei Dirk die zo tenminste weer een beetje zin zag in de hele onderneming. Hij hurkte en draaide de dop van de fles.
"Watergeesten," zei Frans, met het oude colablikje in een hand, "we komen jullie schoon vers water brengen."
Ze wisten allebei verder niets te zeggen, dus begon Dirk maar geleidelijk aan de fles bronwater leeg te gieten in de sloot, tot de fles helemaal leeg was.
Er kwamen geen elfjes uit het water omhoog en ook geen andere wezentjes, maar het leek wel of de deining van het water even wat sterker werd. Dat kon natuurlijk ook de wind geweest zijn.
Toen ze teruggingen vroeg Frans aan Dirk: "Geloof jij in die land- en watergeesten?"
"Ik weet het niet," zei Dirk. "En jij?"
"Ik weet het ook niet," antwoordde Frans, "maar het was wèl leuk."
uit: Kwartaaltijdschrift 'Balder', Herfstevening 1999, nummer 9

This site maintained by: Draak All site content © Het Rad Site last updated on:
|