Vergelijkingen met heidense sporen in sagen uit Drenthe en Overijssel
Het volksgeloof van IJslanders is in menig opzicht eigenaardig, alhoewel het heel veel doet denken aan het volksgeloof in Scandinavië en de Britse eilanden. Stefán Einarsson noemt de volgende facetten: alven of feeën (álfar eđa huldufólk), trollen (tröll), spoken (draugar) en galdramenn (seiđmenn), zeg maar heksen en tovenaars (sjamanen) en tenslotte de vogelvrijen (útilegumenn) die in de onbewoonde binnenlanden van IJsland ronddoolden.
ALFEN (FEEËN)
Men veronderstelt dat alfen in heuvels en rotsen wonen. Wie hen gezien heeft beweert dat zij qua uiterlijk en manieren net als mensen zijn, maar wel wat beter gekleed en met een knapper uiterlijk. Mensen moeten ervoor oppassen dat ze niet door groen- of blauwgeklede feeën bovenin de bergen worden betoverd en soms worden boerendochters uit de bewoonde wereld door hen ontvoerd. Gewoonlijk kunnen alleen helderzienden alfen zien. Het is een oud geloof dat in de 15e en 16e eeuw gebloeid moet hebben. Het is gebruikelijk dat alfen in barensweeën een bezoek aan mensenvrouwen brengen om een kind van de moeder weg te halen uit de wieg (het kind van de alf wordt er dan ingelegd, men spreekt van wisselkinderen; zulke kinderen worden nooit volwassen). Om ervoor te zorgen dat dit niet gebeurt is het goed om bij een pasgeboren kind op de rug en borst een kruisteken te maken. Hierbij een voorbeeld:
Einu sinni gekk móđir frá barni sínu í vöggu, en skildi eftir hjá ţví son sinn sjö vetra gamlan. Ţá komu ţar tvćr huldukonur, og sagđi önnur: 'Tökum á, tökum á.' Hin svarađi: 'Ekki má, ekki má, ţví kross er undir og ofan á, og sjövetlingur situr hjá og segir frá.'
(Op een keer ging een moeder van haar kind in de wieg vandaan en liet het achter bij haar zeven jaar oude zoon. Toen kwamen er twee feeën, en de tweede sprak: 'Laten we het pakken.' De eerste antwoordde: 'Dat kan niet, omdat er een kruisteken onder- en bovenop zit, én er zit een zevenjarig kind bij en waakt erover.')
Duidelijk een verhaal van na de kerstening, gezien het kruis en het heilige getal zeven. Thans een volksverhaal uit IJsselmuiden waarin een pasgeboren kind wordt betoverd en het tijdstip van zeven uur voorkomt; hier geen fee maar een heks.
IJSSELMUIDEN
Bij Skeele Freerik uit Oosterholt (onder IJsselmuiden) was 't pasgeboren kind ook betoverd; de krans van veren vonden ze in het kussen. Olde Freerik wist zich geen raad en ten laatste liep hij naar een waarzegger. Die raadde hem aan om 's avonds om zeven uur maar eens buiten te gaan kijken, dan zou hij de heks met eigen ogen zien. Dit gebeurde! Skeele Freerik ging met een dikke knuppel gewapend op het vastgestelde uur kijken en jawel, daar stond een wijf uit de buurt door een kier van de gesloten luiken naar binnen te loeren. Freerik wilde er dadelijk op losslaan, maar de vrouw sprak: "Probeer het maar niet, je kunt het toch niet." Dat was zo, want hij stond als verlamd en kon geen vin verroeren. De heks had hem vastgezet. (Bron: Overijsselsch Sagenboek, blz. 90, mededeling van S. van de Weerd.)
TROLLEN
Men zegt dat het geloof in trollen nog ouder is dan dat in feeën, de reden waarom het vandaag dan ook zwakker is geworden. Trollen hebben een groot gezicht en een enorme gestalte, daarom dachten de mensen dat die in bergen, rotsen en ravijnen huisden. Er werd verteld dat nachttrollen alleen 's nachts op reis waren en wanneer het daglicht hen op hun reis tegenkwam en inhaalde, veranderden ze in stenen of rotsen (zie afbeeldingen uit het Noord-IJslandse binnenland nabij Mývatn op een lavaveld). Bij het aanbreken van de dag, zo zei men, werden de trollen door het daglicht 'ingehaald'. Dit geldt niet alleen voor rotsen en klippen aan zee, voor de kust van IJsland en de Faeröer (namen als Kollin en Kellingin, de Reus en de Heks), maar ook voor rotsen bovenin de bergen. Bij Akureyri in Noord-IJsland ligt ook een berg met de naam Kerling (heks). Ze aten paarden- en mensenvlees. Trollenvrouwen hadden de gewoon-te om in de Joelnacht schaapherders te ontvoeren, en juist dit maakte dié trollenvrouw beroemd waar Grettir mee heeft geworsteld (Grettis Saga). Hoewel trollen dus krachtig en gevaarlijk konden worden, waren ze soms ook ongevaarlijk en zelfs tot hulp bereid aan menselijke wezens. Als je hun dan een dienst bewees waren ze zo trouw dat er altijd een tegenprestatie werd geleverd.
 |
| Een hond? |
|
 |
| Een reus? |
|
 |
| Een paard? |
|
ENSCHEDE
Van de kei bij 't Rijksmuseum in Enschede zei een boer tegen Van Deinse: "Iej könt miej alles wal vertellen, maar ik zeg ow, dat ze in de grond wast (= groeien). Do ik 'nen kleinen jong was, was 'e lang nich zo groot as now!"
Dezelfde soort verhalen over groeiende stenen vind je in het Engelse East Suffolk, zulke 'growing stones' zijn nog te zien in Blaxhall (bij Snape) en Westleton (bij Dunwich).
Denk je aan trollen, dan denk je niet alleen aan stenen waar leven in zit (vgl. de runentekst van Eskil Sulkason in Tillitse op het Deense Lolland: 'terwijl de steen leeft'), maar ook aan reuzen of hunen, en dat brengt ons bij de Drentse hunebedden.
ROLDE
De oudste beschrijving van een hunebed is uit 1547, er werd weinig goeds over gemeld; ze waren door demonen gebouwd en dienden als altaren waar vreem-delingen levend op werden geofferd. De naam Duyvelskot voor het grote hunebed van Rolde getuigt van dit inzicht. De Coevordense dominee Johan Picardt hing de reuzentheorie aan en sprak van 'grouwsame Barbarische en wreede Reusen, Huynen, Giganten...' Deze Huynen (= reuzen) zouden onder de steenhopen begraven liggen, vandaar de naam 'hunebed'.
BORGER
Ene Titia Brongersma uit Groningen laat in 1685 een opgraving onder het grote hunebed van Borger doen, men vindt er scherven van aardewerk en resten van menselijke beenderen. Zij dicht over het 'dappere Hunnenschap'. In Drenthe ligt voorts het Ellertsveld (Ellert en Brammert waren twee reuzen). Medio 18e eeuw is de tijd van het geloof in reuzen voorbij.
SPOKEN, HEKSEN EN TOVENAARS
Het geloof in spoken, heksen en tovenaars had zijn hoogtepunt in de 17e eeuw, de zogeheten Hekseneeuw op IJsland. Een oud geloof zoals men kan zien aan het verhaal over Grettir, in de Grettis Saga, in zijn worstelen met Glámur. Soms gingen misdadigers opnieuw spoken, zoals Glámur en vielen ze mensen en vee aan.
Soms wekten tovenaars spoken op om die naar hun vijanden te zenden. De eerstgenoemde spoken worden afturgöngur genoemd (ze keren na hun dood weer als spook terug), de laatstgenoemde groep heet 'gezondenen' of 'gestuurde spoken' (sendingar). Spoken vielen het levende vee aan, in Twente hadden witte wieven als slechte eigenschap het vee te beheksen. Soms gebeurde het dat mensen buiten of in noodweer in de bergen omkwamen, dat werd dan later vaak een plek waar het spookte; er werd verteld dat spoken reizigers deden verdwalen.
Dan zijn er nog de volggeesten (volggeest = fylgja) die óf de tovenaar persoon-lijk volgden waar ze naar toe waren gezonden óf de tovenaar die hen had opgewekt, in de vorm van jongens met roodbruin haar (mórar) óf in de gedaante van meisjes met korte rokken aan die skottur heetten. Die vielen mensen en dieren lastig door poetsen te bakken.
Nauw verwant aan het geloof in spoken is dat in hekserij, heksen en tovenaars. Het is al ouder dan de 17e eeuw waarin het heeft gebloeid, want je komt het al tegen in de saga's over Sćmundur Fróđi die zčlf op de Zwarte School in Frankrijk door de duivel is onderwezen. Hier hadden de duivel en hij steeds gewedijverd en wel zodanig dat het Sćmundur steeds beter verging. Sedertdien worden er veel verhalen van verteld hoe de duivel voor de gek is gehouden door heksen en anderen die meer wisten dan hun neus lang was.
KAMPEN: HEKSENPROCESSEN
1515: De Kamperraad nam Heyle Willems, de vrouw van ene Joest Schoen-maker gevangen die door Hadewich Barniers bij de raad was aangeklaagd tovenares te zijn. Ze werd enorm gepijnigd en stierf. Vrienden en verwanten van Heyle eisten nu hetzelfde gericht aan Hadewich te voltrekken. Die wordt op 8 oktober dat jaar onthoofd. (In de Schepenzaal van het Kamper stadhuis zijn de zwaarden nog te zien).
1548: Stijne, de vrouw van mr. Lambert Jacobs wordt ook van toverij verdacht en uit de stad verbannen. Blijkbaar bereidde ze kruiden om zieken te genezen.
1646: Een vrouw was van haar man weggelopen om 'eenen scheve Geert genant te volgen', ze wordt op de kaak gesteld, gegeseld en tenslotte met een scherpe priem door haar tong gestoken en levenslang uit de stad Kampen verbannen.
DEVENTER
Tovenaars waren er vroeger meer dan nu; menige stad zag zich dan ook genoodzaakt tegen hen op te treden. De magistraat van Deventer bepaalde in 1595 dat 'toovenaars, wichelaars, en belezers die met duivelsbedrog omgaan, die booze geesten exorceeren, bannen en bezweren, personen zegenen, zoo ook het vuur en het water, lezen naar verloren dingen, raad geven voor toverij aan menschen en beesten, waarzeggen en zich met dergelijke onzalige wichelarijen ophouden, gestraft zullen worden met verbanning uit de stad.' Wie zich tot hen zou wenden, en hun raad zou zoeken, kwam er ook niet gemakkelijk af. Het kostte hem 50 ponden voor de eerste maal en bij herhaling 100 ponden.
HOLTEN
Het wijf dat in een boerderij op de Holterberg heeft gewoond (de Heksenweg daar bestaat nog) was heel griezelig. Iedereen stond versteld dat de weduwe zoveel paarden te koop aanbood op de Deventer markt. En het wonderlijke was dat ze ook zoveel knechten vroeg, waarvan de voorgangers plotseling verdwenen.
Jannus, een flinke boerenjongen, zou dat eens uitzoeken en bood zich aan als knecht. Op de eerste de beste avond hoorden bij een gerucht in de stallen, ging kijken en toen wierp de boerin hem in het schemer een halster om de nek en Jannus was een paard. De volgende dag reed ze op hem naar Deventer. Jannus was op de markt aan een boom gebonden, schuurde net zo lang met zijn hoofd daartegenaan tot het halster doorsleet en afviel. De boerin komt terug, hij werpt haar het halster om, nu is zij paard. Jannus rijdt op haar terug naar Holten en laat haar onderweg maar meteen met hoefijzers beslaan. Op de boerderij terug doet hij haar het toverhalster af, leest haar de les en gooit het betoverde ding in het vuur. De boerderij brandt af, nu moet deze straatarm geworden slechte vrouw gaan bedelen. Zij had de littekens van de gaten in haar handen en voeten, ze was immers als paard beslagen!
KAMPEN
Op 27 november 1648 volgt het besluit van de Kamperraad: die legt een boete op van 100 oude schilden aan iedere poorter of poorteres die een duivelbanner of bezweerder te hulp riep bij zieke mensen. Blijkbaar woonden die tovenaars buiten de wallen (Brunnepe?), anders had men hčn wel in de eerste plaats met straffen gedreigd. De tijden veranderen echter snel.
ZWOLLE
Voor toverij werd weldra niemand meer vervolgd, integendeel. De Staten van Overijssel vaardigden op 22 april 1664 een merkwaardig besluit uit: "Wie voortaan in ons gewest zijn medemens voor tovenaar, weerwolf en dergelijke uitscheldt, verbeurt terstond 50 goudgulden en wie de boete niet betalen kan, wordt aan de kaak gesteld of gestraft naar de ernst van het feit.' Onze voorvaderen namen geen halve maatregelen.
ALMELO
In de Overijsselsche Almanak van 1850 lezen we dit: 'De man die voor enige maanden te Almelo bij de politie kwam klagen, dat men hem van 'tooverij' beschuldigde, zal wel niet naar 'den goeden ouden tijd' terugverlangen. Het betrof hier een ziek kind, in wiens hoofdkussen men den veerenkrans ontdekte, een zeker bewijs dat de kwade hand in het spel was.' (Vgl. de verenkrans in het kussen thuis bij Skeele Freerik, IJsselmuiden).
ZWOLLE
Op de markt in Zwolle stond een vrouw uit het Veluwse Wapenveld die almaar voor heks werd uitgemaakt. Ten laatsten leste reisde zij naar de Heksenwaag in Oudewater bij Utrecht en ze is de laatste vrouw in Nederland die er is gewogen (in 1835). Aangezien ze niet gewichtloos was, bleek ze geen heks te zijn en kreeg haar oorkonde. Vanaf dat moment kon niemand haar meer voor heks uitmaken.
WITTE WIEVEN
Witte wieven zetelden in grafheuvels van voorvaderen. Wanneer Thor (Donar) zich laat overzetten en met de veerman een gesprek heeft, valt hem de vlijmende, bittere toon op. Zó scherp zelfs, dat hij de veerman vraagt, hoe hij hieraan komt, waarop deze zegt: 'Die leerde ik van Grijsaards, in grafheuvels huizend...'.
(Lied Edda, Het Lied van Harbard (Hárbarzljóđ), couplet 44). Voorts lette men in de Lied Edda op Het Lied van Swipdag (Svipdagsmál), couplet 1 en 2: 'tot de heuvel die uw graf omgeeft'!
Drents Bartje (uit de streekroman van Anne de Vries) zong bij een grafheuvel een rijmpje over de witte wieven waarvan bekend was dat ze in grafheuvels huisden: het gaat om priesteressen, wijze, veelwetende vrouwen (witan = weten, Engels witness = getuige, iemand die ervan weten kan). Later heeft men hier vrouwen in witte gewaden van gemaakt, men denke aan de witte nevelsluiers om de takken van de jeneverbesboom op de heide, van de bessen werden geneeskrachtige dranken gebrouwen. Witte wieven konden zowel goed als slecht zijn.
HENGELO
De boer van erve Waarbeek zag eens plotseling drie witte wieven uit hun onderaardse woning oprijzen! De boer, na rijkelijk gebruik van Deventer bier, sprak hen aan:
Witte wieven wit!
'k wol oew wal broan
Moar hebbe geen spit
En umda'k nich hebbe een spit
Roop ik moar: witte wieven wit!
Hij reed in volle galop weg, maar goed ook, want anders waren de witte wieven die hem achtervolgden achterop zijn paard gesprongen.
MARKELO
De knecht van erve Noever had het spit geworpen in de Witte Wievenkoele (kuil). De juffers wierpen hem het spit (de speer) na, maar het bleef gelukkig steken in de middelaar (= stiepelpaal van de schuurdeur of niendeur).
OLDENZAAL
Een meisje werd door witte wieven gevangen gehouden in de Lonnekerberg. Ze waren boosaardig, het kind moest hard werken en zag geen licht van de zon en maan. Eens stuurden de vrouwen haar naar Oldenzaal, maar ze mocht aan geen mens verraden waar ze woonden. Bij de Dikke Steen voor de Plechel-musbasiliek (de steen die uit de ijstijd dateert en van de Tankenberg naar de stad was versleept) vertelde ze haar nood. Veel mensen hadden het gehoord, ze volgden haar naar de Lonnekerberg en joegen de witte wieven uit hun schuilplaats op. Sindsdien zijn de witte wieven uit de Lonnerkerberg verdwenen.
In de 'Witten Wieve' zegt wijlen Georg Kip, voormalig hoofdredacteur van 'de Grafschafter Nachrichten' uit de grensstad Nordhorn dit: 'Zwar verehrte man nicht mehr die alten Götter, aber sie blieben im Volksleben als Dämonen und Geister vorhanden. Aus dem Göttervater Wodan wurde der wilde Jäger, und heute noch tritt er uns als 'Sünderkloas', dem einäugigen Reiter auf seinem Schimmel, entgegen'.
(Weliswaar vereerde men niet meer de oude goden, maar ze bleven in het volksleven als demonen en spoken aanwezig. De godenvader Wodan werd de Wilde Jacht, en nog vandaag de dag komen we hem tegen als 'Sinterklaas', de eenogige rijder op zijn schimmel.)
De wolwa (völva) is middelaar tussen hemel en aarde, waarbij stof en ziel zijn gescheiden, de kunst die aan Wodan wordt toegeschreven. Wodan is eenogig, want hij heeft één van zijn ogen in pand gegeven aan de reus Mimir om wijsheid te verkrijgen. Voorts is Wodan de ontvanger van de runen. Hij kan de toekomst voorspellen door het hoofd van de reus Mimir te raadplegen. Hij is de god van seiđ, van de sjamanistische kunst. De sjamaan is priester, medicijnman en profeet tegelijk.
Vrouwen die de kunst van het sjamanisme verstonden werden wolwa's genoemd. Ze treden in veel gedichten op, zoals in de Völuspá, de Voorspellingen van de zieneres. Ze hebben handschoenen van kattenvellen wat erop kan duiden dat ze in dienst stonden van Frigg(a), de vrouw van Wodan, godin van vruchtbaarheid, die in een wagen reed die door katten werd getrokken, in de Edda's Freyja geheten. Witte wieven waren verzot op 'balkenhazen' (= katten), dit roept associaties met Freyja op. Het zijn wijze vrouwen die het weten kunnen, die witte wieven. Ze worden spá-vrouwen (spákonur) genoemd en voorspelden mensen de toekomst (zie: Flateyjarbók).
Een overeenkomst tussen de spákonur en onze witte wieven is, dat ze zelden alleen optreden, meestal gedrieën: ze bezaten de kunst van 'het zien'
(voorspellen), het verklaren van de runen en ze waren bedreven in de heel- en geneeskunde. Stierf er iemand door hun behandeling dan kwam die terug bij Vrouw Holle, de godin van de dood, die in de onderwereld (het dodenrijk Helheim) zetelde .... Holda dus, identiek aan Frigga (zoals de Zweden zeggen), in de IJslandse lagere schoolboeken wordt ze Frigg genoemd.
Ik ben mij ervan bewust dat binnen dit kader (De Noordse Traditie - Drenthe en Overijssel) niet alles aan bod is geweest, men denke aan de vogelvrije in IJsland of de vele spookdieren in de Twentse Luttermarke en aangrenzend Duits gebied (het wilde veulen van Gildehaus, het grijze veulen, spookhazen), wellicht hierover in de toekomst. Misschien voelen lezers zich geroepen zelf in hun eigen regio eens op onderzoek te gaan: zo bestaat er een Noord-Brabants sagenboek (witte wieven, de Wilde Jacht (Wodan), Derk met de Beer, heksenvergaderingen, weerwolven, een IJslands thema, Egill Skallagrímsson). Verzamel, en laat van u horen!
TENSLOTTE
Terugkerend naar IJsland waar Ţorgeir in het jaar 1000, toen het alţing op Ţingvellir het christendom had aangenomen, zijn houten beeld van Ţór in de Gođafoss (de waterval der gođi's) had geworpen ... thans, duizend jaren later, is ásatrú na de officiële protestantse staatskerk de tweede religie qua aanhang op het land. De stichter van deze herboren levensbeschouwing was volks-vertegenwoordiger in het parlement te Reykjavík. Rond 1975 werd de dichter en schapenboer Sveinbjörn Beinteinsson de allherjarsgođi (opperpriester) van ásatrú; het huidige hoofd van Ásatrúfélagiđ op IJsland is Jormundur Ingi. Derde in getal is de rooms-katholieke kerk onder bisschop Gijsen, afkomstig uit Limburg, nog altijd goed voor ruim 2400 leden. Maar IJsland is dan ook een dun bevolkt land met zo'n 260.000 inwoners, er wonen 2 inwoners per vierkante kilometer.
Bronnen:
- Korte beschrijving van eenige Vergetene en Verborgene antiquiteiten der Provintien en Landen Gelegen tusschen de Noord-Zee, de Yssel-Emse en Lippe - Johan Picardt
Amsterdam 1660
- Hunebedden. De oudste monumenten van Nederland
Folder van de Provinciale VVV Drenthe/Nationaal Hunebedden Informatie Centrum, Assen 1999
- De hunebedden. Gids en geschiedenis van Nederlands oudste monumenten - Evert van Ginkel
Provinciaal Museum van Drenthe, Assen 1999
- Drenthe en Overijssel - D. Wouters, P.J. Meertens, Anne de Vries e.a.
Nederlandse Volkskunde voor de lagere scholen, P. Noordhoff NV, Groningen 1931
- Overijsselsch Sagenboek - J.W.R. Sinninghe
W.J. Thieme & Cie, Zutphen 1936
- Overijsselse Sagenroutes - Wiebe Hoekstra/Girbe Buist
Uitgeverij Van de Berg, Enschede 1990
- Prisma wegwijzer Overijssel
Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen 1983
- Rondom de Holterberg - Lize Stilma
Uitgeverij van Walraven, Holten 1970
- Het land van de Dinkel - W.H. Dingeldein
Uitgeverij A. Roelofs van Goor, Amersfoort 1964
- Oudheidkundige aantekeningen, deel 2 - J.A. Ort
Den Haag 1901
- Spookverhalen uit De Lutte - G.J.G. Holst
Jaarboek Twente 1972, Stichting Jaarboek Twente, Enschede 1972
- Das wilde Fohlen von Gildehaus - Lucie Rakers-Ribbink
Jahrbuch des Heimatvereins der Grafschaft Bentheim 1961 (Band 52), Bentheim 1961
- Unser Brauchtum gestern, heute und morgen - Georg Kip
Jahrbuch des Heimatvereins der Grafschaft Bentheim 1959 (Band 50), Bentheim 1959
- De 'Witten Wiewe' - Georg Kip
Jahrbuch des Heimatvereins der Grafschaft Bentheim 1960 (Band 51), Bentheim 1960
- Witte-wieven-sagen in Twente - H.L. Kok
Jaarboek Twente 1973, Stichting Jaarboek Twente, Enschede 1973
- De godsdienst der volkeren, deel 2 - A. Ström
Utrecht 1963
- Goden en mythen van Noord-Europa - H.R. Ellis Davidson
Utrecht 1967
- Noord-europese mysteriën en hun sporen tot heden - F.E. Farwerck
Deventer 1970
- Zo leefden de Vikingen - J. Brřndsted
Baarn 1962
- De Saga van Eirik de Rode en andere IJslandse saga's over reizen naar Groenland en Vinland - vertaling van Paula Vermeyden
Meulenhoff, Amsterdam 1980
- Edda - vertaling van Jan de Vries
Ankh-Hermes, Deventer 1978
- Ísland í myndum/ Icelandic pictures - Jón Eyţórsson (afbeeldingen)
Ísafoldarprentsmiđja H.F. Reykjavík1960
- Ţjóđtrú og ţjóđsögur (Volksgeloof en volksverhalen) in: Icelandic - Stefán Einarsson
The John Hopkins University Press, Baltimore en Londen 1976
- Is och eld, en ny bok om Island - Olov Isaksson/Sören Hallgren
Lts förlag, Stockholm 1979